
motie van der Vlies c.s. over schijndrachtige geiten,
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende, dat zowel in de eerste ruimingsronde ter bestrijding van de Q-koorts als in de controleronde schijndrachtige melkgeiten en –schapen worden geruimd;
overwegende, dat met name in een verder gevorderd stadium van de dracht het onderscheid tussen dracht en schijndracht goed te maken is;
overwegende, dat in de literatuur de aanwezigheid van steriel vruchtwater een kenmerk van schijndracht genoemd wordt;
overwegende, dat veterinair deskundigen aangeven dat bij schijndracht geen vruchtvliezen en geen vrucht aanwezig zijn en de kans op vermeerdering van de Q-koortsbacterie daarom zeer klein is;
van mening, dat de risico’s van het niet ruimen van schijndrachtige melkgeiten en –schapen voor de volksgezondheid zeer beperkt en daarom aanvaardbaar zijn;
verzoekt de regering per direct geen schijndrachtige melkgeiten- en schapen meer te ruimen, tenzij op grond van een gedegen risicoanalyse van RIVM/CVI blijkt dat met het niet ruimen van deze niet-drachtige dieren onaanvaardbare risico’s genomen worden,
en gaat over tot de orde van de dag.
van der Vlies
Ormel
Thieme
Cramer
Snijder- Hazelhoff
Dibi